Het opvragen van een nieuwe WOZ-beschikking


‘Een fout in de wet of toch rechtszekerheid?’

 
Op grond van artikel 28 van de Wet WOZ is het voor iedereen die bij de hoogte van de WOZ-waarde een belang heeft mogelijk om een nieuwe beschikking op te vragen op zijn of haar naam. Dit wordt ook wel de ‘medebelanghebbendebeschikking’ genoemd. Tegen deze beschikking staat vervolgens bezwaar open. Deze mogelijk is ook logisch, want de WOZ-beschikking wordt maar aan één belanghebbende gericht. Andere belanghebbenden ontvangen geen beschikking. Bij echtgenoten staat de WOZ-beschikking ook maar op één naam en in beginsel kan enkel de persoon wiens naam op de beschikking staat vermeld bezwaar aantekenen tegen de hoogte van de toegewezen WOZ‑waarde. Veel mensen die in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, en derhalve beide eigenaar zijn van de woning, gebruikten dit artikel om een nieuwe bezwaarmogelijk te krijgen tegen de hoogte van de WOZ-waarde van hun woning. Bijvoorbeeld wanneer zij de originele bezwaartermijn hebben laten verlopen. Het was in de praktijk echter de vraag of deze mogelijkheid voor echtgenoten wel wenselijk was.

Op 27 juni 2012 heeft de rechtbank Zwolle – Lelystad[1] beslist dat het voor echtgenoten, die beide eigenaar zijn van een woning, niet mogelijk is om een nieuwe voor bezwaar vatbare beschikking op te vragen. De rechtbank overweegt dat het niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn om met artikel 28 van de Wet WOZ voor echtgenoten een mogelijkheid te creëren om de wettelijk voorgeschreven bezwaartermijnen te omzeilen. Vanaf dit moment werden alle verzoeken tot het afgeven van een nieuwe voor bezwaar vatbare beschikking op naam van de andere echtgenoot door de gemeente afgewezen met een verwijzing naar deze uitspraak.

Tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle – Lelystad is echter hoger beroep aangetekend. Het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden[2] heeft korte metten gemaakt met de beslissing van de rechtbank. Het gerechtshof oordeelt als volgt, ik citeer een deel uit rechtsoverweging 4.4:

‘De omstandigheid dat met betrekking tot de onroerende zaak reeds aan de echtgenoot van belanghebbende een WOZ-beschikking is afgegeven en dat belanghebbende daarmee bekend was, doet - anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld - daaraan niet af. Uit de wetsgeschiedenis - zoals hiervóór weergegeven - valt niet op te maken dat de wetgever de werking van artikel 28 van de Wet WOZ heeft willen beperken in de door de Rechtbank voorgestane zin. Integendeel. Blijkens de totstandkominggeschiedenis van artikel 28 van de Wet WOZ is immers door de wetgever onderkend, kort gezegd, dat ook in de situatie van echtgenoten een medebelanghebbendebeschikking kan worden afgegeven. De Rechtbank heeft mitsdien ten onrechte de onderwerpelijke beschikking vernietigd. De omstandigheid dat de echtgenoot van belanghebbende geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de te zijnen aanzien genomen beschikking, is niet van belang.’

Gelukkig heeft het gerechtshof een einde gemaakt aan de discussie omtrent het al dan niet afgeven van een nieuwe voor bezwaar vatbare beschikking aan de andere echtgenoot en zullen gemeente, net als van oudsher, gewoon tegemoet moeten komen aan de verzoeken.

Wij vragen voor onze klanten vaak een nieuwe WOZ-beschikking op, omdat de bezwaartermijn van de oude beschikking al is verlopen. De gemeente heeft na het aanvragen van de beschikking maximaal acht weken de tijd om de opgevraagde beschikking te verstrekken. In de praktijk zien wij echter vaak dat gemeenten zich niet houden aan deze termijn.
Om toch rechtszekerheid te bieden, de beschikking moet immers op tijd worden afgegeven, heeft de wetgever de mogelijkheid geboden om de gemeente in gebreke te stellen. Dit kan met een eenvoudige brief, waarin je stelt dat de gemeente in gebreke is en dat ze twee weken heeft om dit op te lossen. Mocht de gemeente na twee weken nog steeds de beschikking niet hebben afgegeven, dan gaat een dwangsom lopen die je als aanvrager kunt opeisen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag met een maximum van 42 dagen.



Auteur mr. M. Hasselman



[1] Rechtbank Zwolle – Lelystad, 27 juni 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BX9161

[2] Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden, 18 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:4345

comments powered by Disqus