De burger moet zelf meer gaan betalen


Rotterdam, 2 april. Burgers moeten meer zelf betalen en meer risico dragen bij vrijwel alle bezuinigingsvarianten die twintig ambtelijke werkgroepen gisteren hebben voorgesteld. Een overzicht van de belangrijkste bezuinigingsvoorstellen.

Met name op de woningmarkt en in de zorgsector zijn revolutionaire ingrepen in kaart gebracht. 85 procent van de huishoudens gaat door de voorgestelde maatregelen 0 tot 5 procent in koopkracht achteruit.

De woningmarkt moet nodig aangepakt worden, concludeert de werkgroep Wonen. „Experts stellen dat de woningmarkt disfunctioneert”, schrijft de werkgroep. De ambtenaren zelf vinden de term ‘disfunctioneren’ te stellig, maar constateren dat er ‘ondoelmatigheden’ zijn op de woningmarkt.

 

De werkgroep somt helder op wat er mis is. Huursubsidie bevordert scheef wonen, mensen met hoge inkomens die een goedkope huurwoning bewonen. Huursubsidie houdt ook geen rekening met locatie. Het is volgens de werkgroep niet nodig om mensen gesubsidieerd te laten wonen op dure en fel begeerde locaties.

De werkgroep is ook kritisch over de koopmarkt. In de wetenschappelijke literatuur zijn er geen overtuigende argumenten voor het fiscaal stimuleren van eigenwoningbezit, schrijft de werkgroep. Het nut van hypotheekrenteaftrek is volgens de ambtenaren dus niet bewezen en bevordert alleen het aanhouden van grote schulden.

De hypotheekrente wordt in de mildste variant (A) aangepakt door renteaftrek te beperken naarmate iemand een huis langer bezit. Ook wordt de aftrek voor duurdere huizen en hogere inkomens verder beperkt.

Mensen die meer dan 33.000 euro verdienen moeten sneller meer huur betalen voor sociale huurwoningen.

In variant B wordt de huurmarkt strenger aangepakt dan bij de eerste optie. Woningen van woningbouwcorporaties op gewildere locaties worden duurder door de huur te koppelen aan de woz-waarde.

De nog strengere variant C pakt juist weer de koopmarkt strenger aan door een vermogensbelasting te heffen op koopwoningen. In de meest vergaande optie verdwijnt de hypotheekrenteaftrek helemaal. Eigenaren worden echter niet belast voor het hebben van een huis.

Met invoering van deze plannen zou de huizenprijs dalen met 8 procent (variant B) tot 12 procent (variant D).

Iedereen die een bezoek aan de huisarts brengt, moet ter plaatse 5 euro afrekenen. Dat is een van de meest in het oog springende voorstellen van de ambtelijke werkgroep die de curatieve zorg (van huisartsen tot medisch specialisten) onderzocht. Het levert 260 miljoen euro op in 2015 (van de 6,35 miljard om een bezuiniging van 20 procent te realiseren).

 

Een ander opvallend voorstel: het verplichte eigen risico stijgt van 165 euro naar 775 euro. Met een kleiner basispakket valt verder 2,3 miljard te besparen. Behandelingen van „lichte aandoeningen” en de daarbij behorende (genees) middelen verdwijnen dan uit het pakket. Behandeling van angst- en alcoholstoornissen bijvoorbeeld. Of cholesterolverlagers, maagzuurremmers, de pil, incontinentiemateriaal, gehoortoestellen, verbandmiddelen en fysiotherapie.

De bezuiniging van 4,2 miljard euro die de ambtelijke werkgroep langdurige zorg voorstelt, raakt de kwetsbaarste Nederlanders. Sinds de recente ingrepen in de verzekering voor bijzondere ziektekosten (AWBZ) komen alleen nog mensen met matige of ernstige beperkingen in aanmerking voor begeleiding, zoals hulp bij de boodschappen of een dagbesteding. De werkgroep stelt voor om deze begeleiding (waarvan nu 140.000 mensen gebruikmaken) helemaal uit de AWBZ te schrappen (winst: 1,2 miljard).

Deze mensen zullen dan een zwaarder beroep moeten doen op hun eigen netwerk of zelf hulp moeten inkopen. Dat geldt ook voor de 120.000 Nederlanders die nu persoonlijke verzorging krijgen uit de AWBZ.

De werkgroep vindt dat zij de eerste 90 minuten persoonlijke verzorging per week zelf moeten regelen. Duitsland, schrijven de ambtenaren, is nog vele malen strenger. Ook alle zorg die korter dan een half jaar duurt, zou uit de AWBZ moeten. Ook voor deze kortdurende zorg zullen mensen zelf een oplossing moeten vinden – of er een aanvullende verzekering voor af moeten sluiten.

De werkgroep wil dat mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Mensen die lichte hulp nodig hebben, kunnen niet meer naar een verzorgingshuis. En aan de opname van psychiatrische patiënten in instellingen worden ook zwaardere eisen gesteld.

Zwakbegaafden met een IQ tussen de 70 en 85 hebben nu nog recht op langdurige zorg, maar dat komt te vervallen als het aan de werkgroep ligt. Het is een sterk groeiende groep, die dan ondersteuning zal moeten zoeken bij gemeenten of jeugdzorg.

In elk van de drie gepresenteerde scenario’s voor bezuinigingen in het hoger onderwijs draait de student op voor het grootste deel van de besparingen.

 

Het eerste scenario voorziet in het omzetten van een studiefinancieringsstelsel met basisbeurs in een sociaal leenstelsel. Verder wordt de ov-studentenkaart versoberd (met korting reizen in plaats van gratis).

De universiteiten en hbo’s krijgen vijf jaar lang een ‘productiviteitskorting’ om ze te stimuleren efficiënter te werken. In de tweede bezuinigingvariant gaat het collegegeld in de bachelorfase stapsgewijs omhoog met 50 procent. Het collegegeld in de masterfase wordt helemaal vrijgegeven. De versobering van de ov-kaart en de productiviteitskorting worden uit het eerste voorstel overgenomen.

De derde bezuinigingsvariant is het meest verstrekkend. Die voorziet in het afschaffen van de basisbeurs én het vrijgeven van het collegegeld in de masterfase.

Voor het voortgezet onderwijs zijn er varianten waarin leerlingen korter les krijgen op school, maar ook intensiever. Ouders van middelbare scholieren betalen een inkomensafhankelijke bijdrage voor schoolboeken. En 16- en 17-jarigen zouden lesgeld moeten betalen.

Het meest wordt verwacht van een curriculum voor het basis- en voortgezet onderwijs dat leerlingen beter laat presteren. Op de basisschool worden begin- en eindtoetsen verplicht. De kwaliteit van leraren moet toenemen, mede door een grotere rol voor de inspectie en de introductie van teambeloning. Daarmee hangt samen dat de klassenverkleining wordt teruggedraaid en de onderwijstijd korter kan dan de 1040-urennorm. Ook worden 1.200 kleine scholen samengevoegd. De uitgaven voor zorgleerlingen moeten worden teruggebracht.

Participatie. Dat is het sleutelwoord van de werkgroepen ‘Werkloosheid’ en ‘Op afstand van de arbeidsmarkt’. Want al functioneert de arbeidsmarkt in veel opzichten goed, er zijn knelpunten die vragen om hervorming van de WW, versoepeling van het ontslagrecht en om verlaging van uitkeringen.

 

De werkgroepen hebben zich niet beperkt tot de jacht naar miljardenbesparingen, maar beogen ook de arbeidsmarkt voor ouderen beter te laten werken, meer mensen ‘met een vlekje’ aan de slag te krijgen ( al is het parttime) en de kloof tussen werknemers met een vast contract en flexwerkers te verminderen.

Tegen deze achtergrond staan verkorting van de WW-duur (nu 38 maanden) tot een jaar, versoepeling van het ontslagrecht en vergroting van de inzetbaarheid van werknemers centraal. In één variant wordt het ontslagstelsel ingrijpend herzien en het duale stelsel (preventieve toets, kantonrechtersformule) afgeschaft. Werkgevers worden financieel verantwoordelijk gemaakt voor de eerste periode van de WW. Afhankelijk van de hardheid van de variant komen er meer of minder mensen aan het werk, maximaal 100.000, minimaal 50.000.

Naast besparingen (1 à 3 miljard) beogen alle varianten vooral ook om migranten, jongeren, lager opgeleiden en oudere werklozen te laten participeren, met meer bescherming. Dat kan door werken aantrekkelijker te maken voor werknemers (lagere uitkeringen) en door werkgevers te prikkelen mensen aan te nemen omdat ze ook salarissen onder het minimumloon mogen betalen. De werkgroep stelt een verlaging van het minimumloon van 10 procent voor. Ook zullen bijstandsuitkeringen dalen doordat lonen en uitkeringen worden ontkoppeld. En de Wajonguitkering voor jonggehandicapten moet beperkt worden tot „volledig en duurzaam arbeidsgehandicapten”.

De werkgroep kindregelingen bedacht vijf varianten, die ieder een bezuiniging van 20 procent moeten opleveren op een jaarlijkse uitgave van 9 miljard euro. Er bestaan nu elf regelingen die voor ouders (deels) de kosten vergoeden van bijvoorbeeld crèche, voetbalvereniging en kinderschoenen.

 

De tweede variant is revolutionair en zal pedagogen aanspreken: daarin staan de ontwikkelingsfases van het kind centraal. De eerste zes maanden moet het thuis kunnen blijven bij moeder of vader (voor 80 procent betaald ouderschapsverlof tot 28 weken oud). Vervolgens, tot het vierde levensjaar, moeten ouders zelf fors meebetalen aan kinderopvang. Dat is een bezuiniging. Voor ouders met een peuter wordt thuis blijven of werken dan ongeveer even duur.

Daarna, als het kind naar school gaat, worden de kosten van de buitenschoolse opvang grotendeels vergoed. Idee is, dat het voor kinderen steeds minder ingrijpend is om buitenshuis opgevangen te worden naar mate ze ouder worden.

De derde variant zal de christelijke partijen interesseren: daarin krijgen werkende ouders geen vergoeding voor kinderopvang. In die variant gaan bijvoorbeeld ‘anderhalfverdieners’ met een inkomen van 1,5 keer modaal met twee kinderen er 58 procent op achteruit.

De vierde variant zullen de feministen en de arbeidsmarktdenkers toejuichen: die voorziet in bezuinigingen op ouders die niet werken – en laat de opvangtoeslag ongemoeid.

De vijfde variant is relevant voor de onderwijswereld: daarin is de school van acht uur ’s ochtends tot zes uur ’s middags open. Zij dient dan als onderwijsinstelling én voordelige opvangorganisatie. De kinderopvangtoeslag voor kinderen boven de vier jaar verdwijnt.

En de eerste variant is de minst gevoelige: die levert gelijke bezuinigen op voor alle groepen.

Maak autorijden en openbaar vervoer duurder zodat minder mensen gaan reizen. Dan zijn er minder investeringen in wegen en spoor nodig. Dat is de essentie van twee varianten die zijn uitgewerkt door de werkgroep mobiliteit en water.

 

Een derde variant verhoogt niet de prijs van mobiliteit, maar schrapt meer infrastructurele projecten. Dat heeft echter negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid en welvaart.

De twee varianten ‘met prijsbeleid’ willen geen kilometerheffing (‘risicovol’). Het alternatief: lokale spitsheffingen. Ook gaan vrachtwagens tol op hoofdwegen betalen. Dat leidt tot inkomsten voor de overheid, maar ook tot minder verkeer op de weg en dus minder behoefte aan wegen. Verschil tussen de twee varianten: één ervan schrapt vooral projecten die nadelig zijn voor de leefbaarheid.

Ook de gebruikersvergoeding voor het spoor kan omhoog. Dat levert direct geld op, maar de verhoging wordt ook doorberekend in de treinkaartjes (10 procent duurder). Gevolg: minder reizigers, minder investeringen. De doelstelling van jaarlijks 5 procent groei op het spoor verdwijnt daardoor. Ook aanbesteding van het hoofdrailnet in plaats van onderhandse gunning aan de NS levert geld op.

De ov-studentenkaart kan worden afgeschaft. Of: studenten kunnen voortaan buiten de spits gratis reizen en in de spits met 40 procent korting. Zo hoeft het aantal spitstreinen niet omhoog, maar wellicht omlaag.

De adviezen op het gebied van energie staan vooral in het teken van lastenverzwaringen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om het lage belastingtarief op rode diesel te verhogen. Dat treft met name boeren. Een andere optie is de aanpassing van het belastingstelsel voor gas en stroom, met bijvoorbeeld een extra belasting op stroom uit kolen- en gascentrales. Energiebesparing zou tot op zekere hoogte verplicht kunnen worden.

Het heeft de charme van de eenvoud: schaf de provincies en waterschappen af, en vervang de 430 gemeenten door 25 à 30 ‘regiogemeenten’. Het is het meest vergaande voorstel om op het openbaar bestuur te bezuinigen. Het aantal bestuurders en politici neemt dan af van ruim 13.000 nu naar ongeveer 1.650. Het levert 1,8 miljard euro op

Iets minder ingrijpend kan ook: maak 5 tot 8 provincies en 100 tot 150 gemeenten. Dat levert 1,45 miljard op. Het past bij een tijd waarin het leven in Nederland zich veel meer op regionaal en (inter)nationaal niveau afspeelt. Veel andere maatschappelijke sectoren hebben zich al op die schaal georganiseerd (woningcorporaties, scholen, werkgevers). En het kan, als het maar goed voorbereid en met strakke regie gebeurt, zoals Denemarken in 2007 deed. Daar ging het aantal provincies van veertien naar vijf en het aantal gemeenten van 271 naar 98.

Het samenvoegen van ministeries kan 2 miljard aan besparingen opleveren, en is ook nog een mogelijkheid om door betere samenwerking beter beleid te krijgen. De structuur veranderen heeft een bijkomend voordeel: besturen kunnen zich meer gaan richten op het oplossen van maatschappelijke problemen.

Nieuw zijn de ideeën dan ook niet, er zijn 46 naoorlogse rapporten over de verbetering van het bestuur geschreven: „De meest opvallende overeenkomst tussen alle studies en adviezen [...] is echter dat met de conclusies en aanbevelingen zeer weinig is gedaan.” Maar nu zou het anders kunnen zijn. De grote bezuinigingsnoodzaak zou net dat duwtje kunnen geven.

bron : NRC

Door mr. M. Hasselman

comments powered by Disqus